.

Index   Terug naar de Index   Index

 

Uit het kerkblad:

     

Kerkblad nr. 183    20 juni 2010

'Wie zegt gij dat Ik ben?'

Het bidden van Jezus is de levende band met zijn Vader, die heel zijn leven heeft gedragen en geïnspireerd. ‘Ik doe niets uit mijzelf, Ik doe alleen wat de Vader mij leert’, getuigt hij. Jezus trok zich telkens terug in de eenzaamheid om te bidden. Dat gebed is een bezinning op zijn roeping, een opnieuw zoeken van de juiste oriëntatie op zijn levensweg. Het bidden van Jezus heeft bijna altijd te maken met momenten waarop een ingrijpende beslissing genomen moet worden. De doop in de Jordaan, de gedaanteverandering op de Tabor en de nacht in de Hof van Olijven waren gebedservaringen. Al biddend gebeurt aan hem een doorbraak: Hij wordt vervuld van een nieuw inzicht op de weg die hij moet gaan. Het bidden op de Tabor is ‘ja’ zeggen om met het gehoorde en geziene van Mozes en Elia op weg te gaan.

vervolg....>>>>

 

 

En vanuit dit gebed stelt Jezus zijn leerlingen de vraag: ‘Wie zeggen de mensen dat Ik ben?’. Ze plaatsen hem in de lijn van de grote religieuze figuren: Johannes de Doper, Elia of één van de profeten. Dan vraagt Jezus aan hen persoonlijk: ‘Wie zeggen júllie dat Ik ben?’, waarop Petrus antwoordt: ‘U bent de Christus, de Gezalfde van God, de Messias!’ Jezus zegt: ‘Vergis je niet, want deze Messias staat lijden en dood te wachten’, en hij trekt dat ook door naar zijn leerlingen.

Jezelf verloochenen, je kruis op je nemen, daar gaat het ook in ons leven om. Je kruis opnemen en Jezus volgen, dat is gedreven worden door Jezus’ woorden en samen met Hem opkomen voor een leefbare rechtvaardige wereld. Hij en wij, wij vormen samen het Lichaam van Christus en wij leven zijn leven in de samenleving van vandaag.

Zr. Margareth c.r.s.s.

*****
     

Gregoriaans-een echo van de eeuwigheid.

Het blijft opmerkelijk: als jongeren een paar dagen of een weekend bij ons te gast zijn en de gebedsdiensten bijwonen, vraag ik meestal bij de afsluiting hoe ze de diensten hebben ervaren. Bijna altijd krijg ik als antwoord dat ze de vespers, het avondgebed, het mooiste vonden. Wonderlijk, dat is nu juist de gebedsdienst die wij in het gregoriaans zingen. Jongeren kennen niet of nauwelijks latijn, dus wát we zingen, gaat aan hen voorbij, maar de zang zélf raakt hen diep. Ze worden er stil van, en dat wil wat zeggen bij jongeren. Blijkbaar heeft het gregoriaans een kracht in zich om mensen boven zichzelf uit te tillen. Het lijkt muziek uit een andere wereld, van een bovenaardse schoonheid.

De benaming ‘gregoriaans’ verwijst naar paus Gregorius de Grote uit de 6 e eeuw. Hij heeft ordening aangebracht in de liturgische teksten en -muziek in zijn tijd. De muziek die hij had goedgekeurd voor gebruik in de liturgie werd nadien ‘gregoriaans’genoemd. Gregorius heeft zelf waarschijnlijk niets gecomponeerd, ondanks het feit dat hij vaak wordt afgebeeld met een duif op zijn schouder, de heilige Geest, die hem goddelijke melodieën influistert. We weten eigenlijk niets over de componisten. In de vroege middeleeuwen werd liturgische muziek gecomponeerd tot eer van God, de naam van de componist speelde geen rol.

Gregoriaans is dus oude muziek. Het beste gregoriaans is ruim duizend jaar oud. Het is éénstemmige vocale muziek. Het heeft zijn wortels in de vroegchristelijke cultuur, en dat betekent dat het beïnvloed is door de Joodse, Syrische en Griekse muziek. Hoe het in vroegere tijden geklonken heeft weten we niet. Er zijn nog wel oude handschriften bewaard, maar het is heel moeilijk om de summiere muziekaanwijzingen te interpreteren. Dat is specialistenwerk. Het zou goed kunnen dat het gregoriaans veel minder plechtig klonk dan wij het nu zingen. Volgens moderne interpretaties moet het sneller en puntiger gezongen worden dan tot nu toe gebruikelijk.

vervolg....>>>>

 

 

Het meest kenmerkende van het gregoriaans is dat de muziek helemaal in functie staat van het woord, de tekst, die rechtstreeks uit de Schrift komt of op zijn minst ernaar verwijst. Gregoriaanse gezangen zijn in de eerste plaats expressie van het Schriftwoord. De muziek is zodanig gecomponeerd dat de tekst maximale zeggingskracht krijgt. Door het zingen of beluisteren van de tekst mediteert de gelovige over het Woord van God. De muziek is geen doel op zich, maar helpt om de tekst te verinnerlijken. De Latijnse tekst en de melodie zijn innig met elkaar verbonden. Daarom kunnen gregoriaans melodieën ook niet zomaar voorzien worden van Nederlandse teksten. De woordaccenten vallen anders, waardoor de melodieën niet meer dienstbaar zijn aan de tekst.

Het eigen karakter van het gregoriaans brengt mensen rust en stilte. Zingen wordt luisteren en luisteren brengt mensen bij de innerlijke stilte van het hart. Het vergroot de ontvankelijkheid voor de aanwezigheid van God. De franse schrijver André Malraux heeft het gregoriaans met iconen vergeleken. Door de innige harmonie tussen muziek en ‘heilige’ woorden wordt het mysterie gesuggereerd, opge-roepen en aanwezig gesteld. Zoals de iconen straalt het gregoriaans ‘het heilige’ uit.

In veel kloosters wordt sinds de jaren ’70 het getijdengebed en de eucharistieviering in het Nederlands gevierd. Dat is goed, want er gaat niets boven het bidden in de moedertaal. Maar onze communiteit heeft destijds de keuze gemaakt om de dagelijkse vespers en de eucharistieviering op zondag in het gregoriaans te zingen. Niet uit behoudzucht, maar juist omwille van de schoonheid van de oude melodieën en omdat het gregoriaans, meer dan de Nederlandse gezangen, het vermogen heeft om de toegang tot het heilige, het transcendente te openen. Gregoriaans wordt door veel mensen als sacraal ervaren.Deze eeuwenlange traditie van de kerk verdient het om levend te worden gehouden binnen de liturgie van de katholieke kerk.

 

                                                                             Zr. Mirjam c.r.s.s.

 

 

.

Index   Terug naar de Index   Index

 

Uit het kerkblad:

     

Kerkblad nr. 182    19 april 2010

'God roept een mens tot leven … '

Het ‘Alleluia’ van de Paasnacht klinkt nog de hele Paastijd door. Die nacht zijn wij samen door het donker, de nacht van de schepping, getrokken. En als het morgen wordt, klinkt een stem: ‘Vreest niet, ge zoekt Jezus de Gekruisigde, Hij is verrezen zoals Hij gezegd heeft’. Het hele Nieuwe Testament staat er vol van: God heeft Jezus, dóór lijden en sterven heen, vastgehouden en opgewekt tot volheid van leven. De Verrezene is de nieuwe schepping onder ons. In de verschijningsverhalen van Jezus aan de leerlingen, zien wij hoe Hij altijd bij hen is. Maar Hij wordt pas herkend door Maria in de tuin, door Thomas, Petrus, de Emmausgangers en de andere leerlingen, als zij door Jezus bij hun naam geroepen worden. Als Hij zich onthult door zijn woord.
Ook wij worden, zoals de leerlingen, geroepen en gezonden in Gods naam. God heeft mensen nodig om zijn Naam ‘Ik ben er voor jou’ waar te maken. Dat is de grote betekenis van Jezus’ leven, maar eigenlijk van ieder mensenleven.

vervolg....>>>>

 

 

Met de Godsnaam ‘Ik ben, die is’, laat de evangelist Johannes tot zeven- maal toe, Jezus met de woorden ‘Ik ben’ aanduiden hoe de leerlingen over Jezus dachten en wat zij zagen als hun eigen opdracht in de wereld. Zeven trefwoorden van Jezus: Ik ben het Brood, het Licht, de Opstanding, de Wijnstok, de Weg, de Herder en de Poort. Zo was Híj en zo moeten wíj zijn. Het gaat erom dat wij ons in Zijn leven laat betrekken, dat wij luisteren naar zijn stem en Hem volgen. Daarvoor moeten wij stil worden en ons afstemmen op Hem die voor ons Zijn leven heeft gegeven. Wij zijn geroepen onze levensweg te gaan in navolging van Jezus Christus: als de Weg, de Waarheid en het Leven.

Zr. Margareth c.r.s.s.

*****
     

'Ik heb water zien stromen...'

Vaste kerkgangers weten dat in onze Priorij op zondagmorgen vóór de eucharistieviering de korte plechtigheid van het ‘Asperges me’ plaats-vindt. Het is een oud liturgisch gebruik waarbij de pastor de aanwezigen besprenkelt met het doopwater, terwijl de antifoon gezongen wordt:

‘Asperges me, Domine, hyssopo, et mundabor:

lavabis me, et super nivem dealbabor.’

Heer, sprenkel mij met hyssop, dat ik rein word:

was mij, dat ik witter word dan sneeuw.

Het is een gebruik dat al in de 8 e eeuw in de boeken vermeld wordt en vooral in de kloosters plaatsvond. Aanvankelijk werden niet alleen de kloosterlingen en het gelovige volk gezegend, maar het hele klooster!

Zo uitgebreid doen wij het niet meer. Maar wij vinden het een zinvol ritueel, om ons op zondag, de dag van de Verrijzenis van de Heer, met het doopwater te laten besprenkelen. Het is een hernieuwing van onze doop, het sacrament van de wedergeboorte in de Verrezen Heer. Verrijzenis en doop hebben veel met elkaar te maken. In de Paaswake wordt daarom het doopwater gewijd, vernieuwen alle gelovigen hun doopbeloften, en als het mogelijk is worden catechu- menen gedoopt. Onze doop is niet een eenmalige gebeurtenis, maar een dynamisch gebeuren. Door het ‘Asperges me’ vernieuwen wij iedere zondag onze doop en verrijzen wij in en met Christus. Daarom staat de communiteit tijdens het ‘Asperges me’ in het atrium rond de doopvont.

Daarnaast heeft het ‘Asperges me’ ook altijd de betekenis gehad van een bede om zuivering, reiniging voordat wij de heilige geheimen van de eucharistie gaan vieren. Het is dus een vorm van boeteritus, en het kan de plaats innemen van de schuldbelijdenis uit de eucharistie- viering.

vervolg....>>>>

 

 

In de Paastijd (de vijftig dagen tussen Pasen en Pinksteren) wordt het ‘Asperges me’ vervangen door het ‘Vidi aquam’:

‘Vidi aquam egredientum de templo, a latere dextro,

alleluia: et omnes ad quos pervenit aqua ista salvifacti sunt,

et dicent : alleluia, alleluia.’

Ik heb water zien stromen uit de tempel, aan de rechterzijde,

alleluia: en allen tot wie dit water is gekomen, zijn verlost

en zullen zeggen: Alleluia, alleluia. (Ez.47,1)

De tekst van deze antifoon is een combinatie van verschillende Schriftteksten. Eerst is er de tekst uit de profeet Ezechiel, die in 47,1 schrijft dat hij bij de ingang van de tempel, onder de drempel, water zag wellen. De stroom van water nam toe en werd steeds dieper. Het water bracht leven overal waar het stroomde. Vervolgens is er de tekst uit het evangelie van Johannes, waar een soldaat een lans steekt in de zijde van de gestorven (en verheven!) Jezus en meteen stroomde er water en bloed uit zijn zijde. (19,34). Tenslotte klinkt ook Openbaring 22,1 mee: Een engel toont aan Johannes de rivier met het water des levens, helder als kristal, dat ontspringt aan de troon van God en van het Lam. Aan de oever van deze rivier staat de boom van het leven, die elke maand vrucht draagt en zijn loof brengt de volken genezing.

Je kunt de teksten als het ware in elkaar schuiven. In het Oude Testament was de tempel de plaats van Gods aanwezigheid en de bron van het leven gevend water, in het evangelie is dat Jezus Christus. Zijn sterven en verrijzen is bron van leven voor allen die in Hem geloven. Het water dat uit de tempel stroomt en het water dat vloeit uit de zijde van de gestorven Jezus is als het doopwater, dat ons tot nieuw, tot eeuwig leven brengt. Het is water dat ons genezing brengt.

Na deze prachtige tekst gezongen te hebben, en besprenkelt te zijn met het doopwater, kunnen wij waardig de eucharistie vieren.

                                                                             Zr. Mirjam c.r.s.s.

 

 

Kerkblad nr. 181    14 februari 2010

'Ruimte voor God en voor mensen … '

De veertigdagentijd en de paastijd vormen de kern van het kerkelijk jaar. In deze periode brengen we ons opnieuw te binnen wat we bedoelen wanneer wij onszelf ‘christen’ noemen. Christenen geloven dat zij onderweg zijn, naar het LICHT, in het voetspoor van Jezus Christus. Vernieuwing - daartoe worden wij uitgenodigd in de veertig- dagentijd, als voorbereiding op Pasen. De liturgie van de vastentijd roept ons op: ‘Zie, nu is het de gunstige tijd, nu is het de dag van het heil’, d.w.z. van heel worden. God zelf roept tot ons: ‘Keer tot Mij terug van ganser harte’(Joël 2). Daar gaat het om: het ombuigen van de aandacht voor jezelf naar de aandacht voor God, de bron van het leven, én de aandacht voor de medemens. Daar waar mensen aandacht voor elkaar hebben, bloeit het leven op. 40 dagen onderweg naar vernieuwing van leven. Het getal 40 komt vaak voor in de Schrift: het volk Israël trekt 40 jaar door de woestijn naar het beloofde land, Jezus verbleef 40 dagen en nachten in de woestijn. 40 is de tijd van de loutering, de tijd die de mens nodig heeft om tot inzicht te komen.

vervolg....>>>>

 

 

In de woestijn werd Jezus zich bewust van zijn levensopdracht: zijn verhouding tot de Ene en zijn dienstbaarheid aan de mensen. Ook wij hebben het nodig ons te bezinnen op de weg die wij gaan, op de verbondenheid met elkaar en met God in wie wij geloven. Hij trekt met ons mee, op weg naar Pasen. Pasen: het feest dat ons tot christenen maakt omdat wij geloven dat Jezus van Nazareth door de dood heen is vastgehouden, is opgestaan als Eerste van ons allen en ons zijn Geest geschonken heeft. Hij is de Weg - door de woestijn heen -, de Waarheid, - in de beproeving - en het Leven dat Hij ons voorleeft.

Zr. Margareth c.r.s.s.

*****
     

'De Kruisweg'

Al sinds vele eeuwen wordt het interieur van de meeste katholieke kerken gesierd met een kruisweg: een serie schilderijen met afbeeldingen van de lijdensweg van Jezus. Traditioneel zijn het 14 schilderingen, waarvan het eerste de veroordeling van Jezus door Pilatus verbeeldt en het laatste de graflegging van Jezus. Elk schilderij vormt een ‘statie’ van de kruisweg. Het woord zegt het al: het is een moment uit de lijdensweg van Jezus, waarbij de gelovige letterlijk en figuurlijk stilstaat, b.v. de val van Jezus onder het kruis, de ontmoeting met Maria, Veronica droogt het aangezicht van Jezus, Jezus troost de wenende vrouwen, Jezus sterft aan het kruis. Iedere statie is een moment van overweging, verstilling, bij de weg van Jezus naar het kruis. Met name in de vastentijd speelde (en speelt) de kruisweg een grote rol bij het mediteren over het lijden en sterven van Jezus.

Veel grote kunstenaars hebben in de loop der eeuwen een kruisweg geschilderd. Deze kunstwerken zijn vooral aangrijpend en inspirerend als je voelt dat de kunstenaar het passieverhaal heeft doorleeft en vanuit een eigen perspectief heeft vormgegeven. De kruisweg is dan meer dan alleen een illustratie van het passieverhaal. Het laat iets zien van de geloofsbeleving van de kunstenaar. Soms neemt een kunstenaar de vrijheid om niet de vastgestelde 14 staties te schilderen. Hij kiest er voor om b.v. het Laatste Avondmaal af te beelden, of de kus van Judas, of de Verrijzenis, of de ontmoeting in de paastuin van Jezus met Maria Magdalena. Door deze andere accenten krijgt de kruisweg een extra zeggingskracht.

Vaak probeert een kunstenaar de pijn of het verdriet van zijn tijd of cultuur een plaats te geven in de kruisweg. Zo wordt het lijden van Jezus geactualiseerd. Jezus deelt in het lijden van de mensheid, tot op vandaag. In iedere mens die lijdt, lijdt hij mee. Daarom is een kruisweg ook nooit achterhaald, en blijft het een uitdaging voor kunstenaars om een kruisweg te maken.

Niet alle kruiswegen worden direct door de geloofsgemeen-schap gewaardeerd. Mensen zien graag iets wat ze herkennen, wat vertrouwd is. Maar het is juist de taak van de kunstenaar om ons méér te laten zien dan er op het eerste oog te zien is. Om ons uit ons evenwicht te brengen, te verrassen, de ogen te openen voor een andere w(W)erkelijkheid. Die pogingen worden echter niet altijd begrepen.

vervolg....>>>>

 

 

Albert Servaes maakte in 1919 de Getekende Kruisweg, geïnspireerd door de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog. De houtskooltekeningen laten Jezus’ lijden in al zijn ruwheid en onmenselijkheid zien. Het fel realistische karakter van de kruisweg viel niet in goede aarde bij de traditionele kerkelijke kringen. Rome sprak een veroordeling uit en de staties werden uit het kerkgebouw verwijderd.

Bekend is ook de kruisweg die Aad de Haas in 1947 schilderde voor de kerk in Wahlwiller (L). De kruisweg (met 16 staties!) ademt een bijna surrealistische sfeer met haar geel-groene tinten. Alles is in een waas weergegeven. Christus lijkt een schim. Hij straalt geen enkele macht of grootsheid uit. Voor de kunstenaar was Christus de minste der minsten, en daarom schilderde hij hem teer en bescheiden. Niets triomfantelijks, geen zwier of grote gebaren. Het lijden van Christus had voor hem alles te maken met zijn oorlogservaringen. Voor de geloofsgemeenschap was de kruisweg echter niet acceptabel. De schilderingen waren schokkend in hun andersheid. Aad de Haas moest de kruisweg uit de kerk halen. Pas in 1980 werd de kruisweg in ere hersteld en teruggeplaatst.

Onze Priorij-kerk heeft geen kruisweg. Haar strakke en sobere architectuur laat geen schilderijen toe. Sinds vorig jaar hangt er echter in één van de kloostergangen, heel onopvallend, een moderne kruisweg, gemaakt door de beeldend kunstenaar Kees de Kloet. Het zijn 12 objecten in blank staal van 18 x 29 cm. Ze hebben het voormaat van ikonen. Iedere statie bestaat uit twee lagen, met een stille tussenruimte van 2 cm. Ze zijn gemaakt van staal en teer, glad van oppervlak. Kees de Kloet heeft niet gekozen voor een figuratieve verbeelding, maar voor een verstilde beweging. De staties laten open wat er verbeeld wordt. Als je er tijd voor neemt kun je een ritme ontdekken in de serie. Een beweging die je ‘vallen’ kunt noemen. De vormen lijken te kantelen, eerst heeft het zwart de overhand, dan wordt het steeds lichter. Het ‘vallen’ dat overgaat in ‘opstaan’. Dat is waar iedere kruisweg ten diepste over gaat.

                                                                             Zr. Mirjam c.r.s.s.

 

 

     

Kerkblad nr. 180     20 december 2009

' Zalig gij die geloofd hebt … '

De komst van Jezus Messias in onze wereld was de vervulling van een belofte. Hij was afgesmeekt door het joodse volk en eeuwenlang was met groot verlangen uitgekeken naar zijn komst. Een kind van belofte als geen ander. Ontvangen van de Heilige Geest, geboren uit genade, hét geschenk van God aan de mensheid.

Maar dit geschenk moest ontvangen worden. De evangelist Lucas vertelt ons over Maria en de boodschap van de engel. Al lijkt het alsof alles op aarde bij het oude blijft, er staat een Koninkrijk op doorbreken, een toekomst, die onze verwachtingen te boven gaat, dient zich aan. Zo ook voor Maria wanneer zij van Godswege hoort dat zij moeder zal worden van de Messias. De engel zegt dat de Allerhoogste haar zal overschaduwen, en wijst haar op Elisabeth, haar bloedverwante. Zij is een teken dat bij God niets onmogelijk is.

vervolg....>>>>

 

 

 

Daarop haastte Maria zich naar Elisabeth, en in de geloofsontmoeting van deze twee vrouwen werd haar geloof bevestigd door de woorden: ‘zalig gij, die geloofd hebt, want zó zal het vervuld worden’. Toen zag Maria wat aan haar gebeurd was en haar antwoord was het Magnificat: ‘Met heel mijn hart wil ik God groot maken’. Door haar ‘fiat’ maakte zij het komen van Jezus Messias in deze wereld mogelijk. Namens de hele mensheid heeft Maria in geloof Jezus ontvangen. Sindsdien zijn wij allen betrokken bij het mysterie van de Menswording. Heel dit geheim bidden wij uit in het eenvoudige gebed: ‘Wees gegroet’. Wij delen in de zegen van Kerstmis omdat Maria voor allen begenadigd is! Zalig Kerstfeest!

Zr. Margareth c.r.s.s.

*****
     

'De geboorte van de Heer'

De viering van de kerstnacht beginnen wij altijd op een bijzondere manier. Als de viering begint trekken de zusters, samen met de priester, door de donkere gangen naar de kerk, terwijl ze het Adventsgezang ‘Rorate caeli’ zingen. De ingetogen gregoriaanse zang weerklinkt prachtig in de lege gangen en de mensen in de kerk horen de zang steeds dichterbij komen. Gespannen spitsen zij hun oren om het gezang op te vangen. Dit ritueel drukt uit wat we vieren met Advent en Kerstmis: het naderbij komen van God en het verwachtingsvol uitzien naar zijn komst, zijn binnentreden in onze wereld. Als de zusters en de priester in de kerk zijn wordt, in de nog donkere kerk, de aankondiging van de geboorte van de Heer gezongen of gelezen. Het is een plechtige proclamatie die als volgt luidt:

  Na verloop van talloze eeuwen sinds de schepping van de wereld,   toen God in het
  begin hemel en aarde heeft geschapen
  en de mens heeft gemaakt naar zijn beeld;
  vele eeuwen sinds de Allerhoogste na de zondvloed de regenboog   aan de hemel heeft geplaatst als teken van zijn verbond van vrede;
  in de één-en-twintigste eeuw nadat Abraham, onze vader in het   geloof, was weggetrokken uit Ur der Chaldeeen;
  dertien eeuwen sinds het volk van Israël onder leiding van Mozes   was weggetrokken uit Egypte;
  duizend jaar na de zalving van David tot koning;
  in de vijf-en-zestigste jaarweek volgens de profetie van Daniel;
  in de honderd-vier-en-negentigste Olympiade;
  zevenhonderd-twee-en-vijftig jaar na de stichting vd stad Rome;
  in het vijf-en-veertigste regeringsjaar van keizer Octavianus   Augustus;
  toen heel de wereld in vrede was,
  is Jezus Christus, eeuwig God en Zoon van de Vader, in zijn wil om   de wereld door zijn liefdevolle komst te heiligen, ontvangen van de   heilige Geest
  en na negen maanden te Bethlehem in Juda geboren
  uit de Maagd Maria en is mens geworden:
  de geboorte van Onze Heer Jezus Christus naar het vlees.’

Deze tekst komt uit het Martyrologium Romanum, het Romeins Martelarenboek. Dat is een liturgisch boek, waarin men vroeger de sterfdag van de martelaren opschreef. Later heeft men het uitgebreid met de heiligen.

vervolg....>>>>

 

 

Vanouds werd in kloostergemeenschappen ’s avonds uit het Martyrologium voorgelezen welke heiligen de volgende dag herdacht zouden worden met een toelichting wanneer en waar ze geleefd hadden en soms nog wat andere details over hun leven. Op 25 december wordt in het Martyrologium ook de geboorte van Jezus Christus gememoreerd. Er staat nadrukkelijk bij dat de tekst met bijzondere plechtigheid moet worden voorgedragen. Dat doen we dan ook. Door het voor te dragen aan het begin van de kerstnachtviering krijgt het alle aandacht die het verdient. Het is de enige keer in het jaar dat wij nog uit het Martyrologium lezen.

De geboorte van Jezus Christus wordt geplaatst in de bijbelse en wereldlijke geschiedenis: er wordt verwezen naar de schepping van de wereld, de zondvloed en de regenboog als teken van het verbond, naar Abraham, de vader van alle gelovigen, de uittocht van Israël uit Egypte, de zalving van koning David. Wie thuis is in de bijbel herkent de hoogtepunten uit de heilsgeschiedenis. In één adem door sluit daar de profane geschiedenis op aan: de vermelding van de olympische spelen, de stichting van de stad Rome, het bestuur van de Romeinse keizer.

De nauwkeurige datering doet denken aan het begin van het geboorteverhaal van Lucas 2, het evangelie van de kerstnacht. Ook daar krijgen we precies te horen wanneer het verhaal zich afspeelt: in de tijd dat keizer Augustus een volkstelling liet houden, en Quirinius landvoogd van Syrie was. Het lijkt of de schrijvers van deze teksten willen benadrukken dat God is mens geworden in ónze geschiedenis. God, die van eeuwigheid is en buiten de tijd staat, is door de mens-wording van zijn Zoon onze tijd en geschiedenis binnengetreden. Jezus Christus is niet een fictieve figuur, de hoofdpersoon uit een mooi verhaal, maar een historische werkelijkheid die alles met ons leven heeft te maken. Daarom wordt er in de geboorteaankondiging zoveel nadruk gelegd op de tijd en de plaats waar Jezus Christus wordt geboren. Het is de plechtige aankondiging van een gebeurtenis die de loop van onze wereldgeschiedenis definitief heeft veranderd.

                                                                             Zr. Mirjam c.r.s.s.

 

     

Kerkblad nr. 179    1 november 2009

'Gedenken'

De herfst is niet alleen het einde van de zomer, maar het is tevens de belofte van vruchtbaarheid voor de komende lente: de graankorrel in de aarde … In Joh.12,24 zegt Jezus: ‘Als de graankorrel niet sterft en in de aarde valt, brengt ze geen vrucht voort, maar als zij sterft brengt ze rijke vruchten voort’. Met deze woorden geeft Jezus de vruchtbaarheid van zijn eigen sterven aan en daarin betrekt Hij allen die gestorven zijn, zij horen bij Hem als de vruchtbaarheid van zijn leven. De woorden van Jezus: ‘Doe dit tot mijn gedachtenis’, zijn in de eucharistie verbonden met de gedachtenis van onze overledenen die horen bij het Lichaam, de vruchtbaarheid van Jezus Christus.

vervolg....>>>>

 

 

 

Gedenken is meer dan zich iets of iemand herinneren. Het is de werkzame aanwezigheid van het verleden in het heden, het verleden bij het nú betrekken, en zo in het leven terugroepen. Het is een weldaad wanneer wij als gelovige mensen een teken van verbondenheid kunnen stellen. De eucharistie biedt ons die mogelijkheid. Dat wij voor God onze dierbare overledenen tot over de dood heen kunnen gedenken door hun namen te noemen en hen zo in ere houden als mensen die ons zijn voorgegaan. Wij zijn in Christus, van Hem uit en naar Hem toe, met elkaar verbonden. Zo kunnen we elkaar vasthouden, als gemeenschap der heiligen, in een levende beweging, open naar elkaar toe, gaandeweg naar de nieuwe Schepping. Zo is dit samen-zijn inherent aan Pasen. Laten wij de gedachtenis van de overledenen verbonden houden met de gedachtenis van Christus, de Heer van levenden en doden.

Zr. Margareth c.r.s.s.

*****
     

'Kerkklokken'

Op het moment dat ik dit stukje schrijf missen we de kerkklokken al een paar weken. De klokkenstoel, waarin de klokken zijn opgehangen, was dringend aan onderhoud toe en is voor reparatie opgehaald door de klokkengieterij. Leven zonder klokken valt ons niet mee. Vier keer per dag luidt de klok om ons samen te roepen voor het liturgisch gebed. Overal in de Priorij, maar ook op ons terrein, in de gastenhuizen en zelfs tot in het dorp, zijn de klokken te horen. Als het bijna tijd is voor één van de gebedsdiensten spitsen onze oren zich. Als we nog ergens bezig zijn, zeggen we soms tegen elkaar: ‘Het heeft geluid’, met andere woorden: het wordt tijd om naar de kerk te gaan. Of je vraagt aan een ander: ‘Heeft het al geluid?’ De klokken bepalen het ritme van onze dag. Nu ze zijn stilgevallen ontdekken we hoe bepalend ze zijn in ons leven.

Vanaf de 6 e eeuw hebben christelijke kerken klokken gehad om de gelovigen bijeen te roepen. Deze klokken werden al snel ook gebruikt voor wereldlijke doeleinden. Een wet afkondigen zonder het luiden van de stadsklok was ondenkbaar; een vonnis uitspreken zonder de hoorbare onderstreping van de klok had geen enkele zin. Het begin van de jaarmarkt, het sluiten van de stadspoort, de komst van een belangrijk persoon: steeds opnieuw werd de klok geluid. Maar naast het verkondigen van uur en tijd, vreugde en verdriet, hadden zij ook een magische functie. In de middeleeuwen goot men opschriften op een klok om dat te onderstrepen. Bijvoorbeeld dat zij de pest konden verdrijven en de bliksem breken, met het vurig verlangen dat God dit gebed zou verhoren. Een veel gebruikt opschrift op klokken was: ‘Ik (= de klok) roep de levenden, ik beween de doden en ik breek de bliksem’.

Onze kerk heeft drie luidklokken, die in een bescheiden klokkentoren boven de sacristie hangen. Bij een luidklok wordt de klok in beweging gebracht, en slaat de klepel afwisselend op beide zijden van de klok. Door de gekantelde klok draagt het geluid verder dan wanneer de klok zou stilhangen, en men de klepel alleen zou bewegen. Het zijn bronzen klokken, gegoten door de beroemde klokkengieters Petit en Fritsen in Aarle-Rixtel. Het gieten van klokken is een indrukkend proces, dat grote ambachtelijke vaardigheid vraagt. Er moet niet alleen een mooi ogende klok tevoorschijn komen, maar de klok moet ook een goede klank hebben.

vervolg....>>>>

 

 

De klokken van onze kerk zijn gezegend op 18 maart 1966, ruim een maand vóór de kerkwijding (28 april 1966). Bij deze zegening zijn de klokken eerst besprenkeld met wijwater, daarna met chrisma gezalfd en tenslotte bewierookt. Dit zegeningritueel laat zien dat klokken officiële liturgische attributen zijn. Tijdens de plechtig-heid werd heel toepasselijk psalm 29 gezongen: ‘De stem van de Heer is over de wateren, de majesteit Gods spreekt in het onweer, over de wateren wijd is de Heer’. Klokken geven stem aan de Heer, die ons samenroept voor het gebed. Zuster Caecilia, jarenlang kosteres in onze kerk, had de aardige gewoonte om op de verjaardag van de klokkenwijding aan ieder klokkentouw een feestelijk strikje te knopen!

Onze klokken hebben namen. De grootste klok, met een diepe klank, is de Salvator. Het is traditie in de christelijke kerk om de grootste klok naar Christus, de heiland, de salvator, te noemen. Op deze klok staat het opschrift: Salvator mundi salva nos, Sepulcri tui filios (Verlosser der wereld red ons, de kinderen van uw Graf).

De tweede klok is wat kleiner en haar klank is een terts hoger. Het is de Maria, en zij draagt het opschrift: Maria gloriosa Domina, tu nos semper adjuva (Maria glorierijke Meesteres, sta ons altijd bij).

De kleinste is de Augustinus met weer een hogere klank. Haar opschrift luidt: Pater Augustine, doctor egregie, doce nos colentes te (Vader Augustinus, uitmuntende leraar, onderricht ons, die u vereren).

Enkele dagen in het jaar laten we de klokken nadrukkelijk zwijgen: vanaf de viering van het Laatste Avondmaal op Witte Donderdag tot de Paasnacht worden er geen klokken geluid. De ingetogen sobere liturgie van het Paastriduum lijkt geen klokgelui te verdragen. Maar als het feest is, luiden we met drie klokken! Ook op zaterdagavond, als de zondag begint, luiden we vóór de vespers met drie klokken en evenzo op zondagmorgen voor de eucharistieviering.

We hopen weer gauw onze klokken te horen. Ze roepen ons niet alleen op om naar de kerk te komen, maar zij verkondigen zelf met hun heldere klanken de lof van God.

Zr. Mirjam c.r.s.s.

 
.

     

Kerkblad nr. 178    6 september 2009

‘Effetha, ga open ...’

Het Marcus-evangelie, dat we in dit B-jaar iedere zondag beluisteren, is het evangelie met de meeste wonderverhalen. Jezus zelf sprak nooit over wonderen, hij was geen ‘wonderdoener’. Jezus sprak over tekenen, tekenen dat het Koninkrijk Gods onder de mensen komende was, met signalen van heil en hoop. Het ging hem niet om het wonder maar om het heil, de heelheid van de mens. Daarom trok het geschondene en ontspoorde Hem aan, want daaraan kon hij de eigenlijke bedoeling van zijn komst en werk namens zijn Vader duidelijk maken.

vervolg....>>>>

 

 

 

Marcus vertelt over de genezing van een doofstomme die door de mensen bij Jezus werd gebracht met de vraag om deze man de handen op te leggen. Het lijkt of de woorden van de profeet Jesaja in vervulling gaan, die over de messiaanse tijd zei: ‘Zie, uw God zal komen en Hij zal u verlossen. Dan zullen de oren van de doven ontsloten worden, de tong van de stomme zal jubelen’. Jezus nam de man terzijde, weg van de menigte. Deze gehandicapte mens krijgt van hem een persoonlijke benadering. Jezus spreekt lichaamstaal, het ritueel vindt in stilte plaats. Hij zei tot hem: ‘Effetha, ga open’. Het is veelbetekenend dat juist dit Jezus-woord in het Aramees in het Marcus-evangelie bewaard is gebleven. Het klinkt als een levens-programma voor alle mensen: ‘Ga open!’. Dat wil zeggen: luister en lééf! Er valt wat te horen in het leven! Dit verhaal is voor ons bewaard gebleven opdat ónze oren opengaan en wij de Blijde Boodschap van Jezus horen.

Zr. Margareth c.r.s.s.

*****
     

'Een geur van heiligheid'

Soms komen mensen in onze kerk, en ze ruiken het meteen: wierook! Het is een geur die past in een kerk - het roept een sacrale sfeer op. Een typisch katholieke lucht. Mooi is dat: een geur roept het geloof en de aanwezigheid van God op. Geloof is blijkbaar niet alleen iets van woorden en het verstand.

Het gebruik van wierook was al bekend bij oude volken in het Nabije Oosten. Zij brachten geur- en rookoffers voor hun goden om deze gunstig te stemmen. Ook het volk van Israël gebruikte wierook: in de tempel stond een wierookaltaar waar men bij het morgen- en avondgebed een wierookoffer bracht als teken van gebed tot en eerbied voor God. De profeet Jesaja zegt in zijn visioen van het nieuwe Jeruzalem over de koningen en de volken: ‘Goud en wierook zullen zij aanbrengen, en zij zullen de lof van God verkondigen’ (Jes.60,6). Matteus heeft waarschijnlijk aan deze tekst van Jesaja gedacht toen hij het verhaal schreef van het bezoek van de drie wijzen uit het Oosten aan de pasgeboren Jezus. Deze wijzen zijn de vertegenwoordigers van de verre volken. Zij brengen ieder een geschenk mee voor Jezus: goud, wierook en mirre. Met deze kostbare gaven tonen zij hun eerbied aan Hem. Met het geschenk van de wierook erkennen zij Jezus als de Christus, de ware Koning van het leven.

Wierook wordt gemaakt van verschillende soorten geurige hars en gom, afkomstig van planten en bomen uit het Midden Oosten. Ze worden verwerkt tot kleine korrels, en als men een schepje van deze korrels op een gloeiend kooltje legt, ontstaat er meteen een geurige rook, wierook (letterlijke ‘gewijde rook’), die duidelijk zichtbaar omhoog kringelt.

De eerste christenen waren aanvankelijk voorzichtig met wierook want het herinnerde teveel aan de heidense godsdiensten en aan de Romeinse keizer, die zichzelf graag liet bewieroken. Maar toen de christenen vanaf de 4 e eeuw godsdienstvrijheid kregen en kerken mochten bouwen voor hun eredienst, gingen zij ook wierook gebruiken. De heidense smet was er van af, en men ontdekte de wierook als een sterk symbool in de liturgie. Dat is gebleven tot op de dag van vandaag. De witte wolken geven de richting aan van onze gebeden: ze stijgen op naar God.

vervolg....>>>>

 

 

Het branden van wierook is een symbool dat meer kan zeggen dan woorden alleen. In psalm 141 lezen we: ‘Laat mijn gebed mogen stijgen als wierook omhoog tot uw aanschijn’. In het boek van de Openbaring schildert de apostel Johannes een visioen van de hemelse liturgie: ‘En er kwam een andere engel, die met een gouden wierookvat bij het altaar ging staan. Hem werd veel reukwerk gegeven, om het met de gebeden van al de heiligen te offeren op het gouden altaar voor de troon. En de rook van het reukwerk steeg met de gebeden der heiligen uit de hand van de engel omhoog voor het aanschijn van God’ (Openb.8,3-4). Wierook en de gebeden van de gelovigen horen bij elkaar. In gebedsdiensten wordt vaak een schaal gebruikt in plaats van een wierookvat, waarbij de opstijgende rook het gebed van de gelovigen symboliseert.

Maar de wierook wordt ook gebruikt om eerbied uit te drukken voor voorwerpen en mensen. In een plechtige eucharistie-viering kan het altaar worden bewierookt, het evangelieboek en de gave van brood en wijn op het altaar, maar ook de priester én de gelovige gemeenschap! In de Paasnacht wordt de Paaskaars bewie-rookt, het beeld van de Verrezen Heer. Aangrijpend en ontroerend is het bewieroken van het lichaam van een overledene tijdens een uitvaartliturgie. Zoals eens alleen vorsten en hoogwaardigheids-bekleders werden bewierookt, zo wordt eer gebracht aan deze gestorven mens.

Sinds het Tweede Vaticaanse Concilie was men terug-houdend geworden met de wierook. Het leek te uitbundig, te vroom, te traditioneel, maar tegenwoordig ‘kan het weer’. Men beseft steeds meer hoe belangrijk het is om tijdens de liturgie symbolen en rituelen te gebruiken. Zij bemiddelen het geloofsmysterie, dat in geen woorden te vatten is.

In de viering staan wij als mensen, met ziel en lichaam, voor Gods aanschijn. Ons lichaam met al haar zintuigen mag betrokken worden bij de liturgie. Zien, horen, proeven en ruiken – het zijn allemaal wegen om in contact te komen met het geloofsgeheim. De geur van wierook en de omhoog kringelende wolken helpen ons om binnen te treden in de ruimte van God en dat is waar het in de liturgie om gaat.

Zr. Mirjam c.r.s.s.

 

 

     

Kerkblad nr. 177    28 juni 2009

"Je zult mijn getuige zijn... "

Bij het laatste samenzijn van de apostelen met hun verrezen Heer stelden zij Hem de vraag: ‘Heer, gaat Gij in deze tijd voor Israël het Koninkrijk herstellen?’ Wij horen in die vraag hoe de oude verwachting van de bevrijding bij hen nieuwe hoop had gekregen door de verrijzenis van Jezus. Jezus gaat echter niet in op hun vraag, maar geeft ze een opdracht: ‘Het komt niet aan jullie toe tijd en uur te kennen die de Vader in zijn volmacht heeft vastgesteld. Maar je zult kracht ontvangen van de heilige Geest om mijn getuigen te zijn. Tot de uiteinden van de aarde zullen jullie mijn woorden en daden in herinnering brengen’. De zending van de apostelen om te getuigen is ook onze zending: Trek er op uit, wees getuigen van de blijde boodschap, verkondig in woord en daad, bevrijd je medemens uit wat mensonwaardig is, bekommer je om zieken, wees goed voor de vreemdeling. Op deze wijze zal het Rijk Gods gestalte krijgen, zal Gods koningschap op deze aarde zichtbaar worden. Niet ineens, maar in ieder woord dat wij spreken en in iedere daad die wij zullen doen.

 

 

Als eenmaal de beweging op gang komt van mensen die willen leven in de Geest van Jezus en zijn weg willen gaan, dan ontstaat Kerk. Kerk als een roeping van mensen waarbinnen Gods woord van bevrijding én de opdracht om te verkondigen worden doorgegeven van generatie op generatie, tot in onze tijd. Als wij zo in beweging komen, uit de beschutting van het vertrouwde, open voor het onvoorziene, en elkaar daarbij bemoedigen, dán zijn wij Kerk: een gemeenschap bijeen-gehouden door de Geest die levend maakt.

Zr. Margareth c.r.s.s.

     
.

Kerkblad nr. 176     26 april 2009

‘Volgens de Schriften’...

De boeken van het Oude Testament vormen de basis van ons christelijk geloof. Heel het Christusgebeuren is een ‘vervulling’ van deze boeken. Jezus heeft zijn roeping uit de Schriften moeten leren en heel zijn leven was hij in gesprek met de Wet en de Profeten. Vanuit deze joodse Schriften wist hij wat het Paasgeheim was en in de vervulling van zijn opdracht heeft hij ook zijn leerlingen ingewijd in dit Geheim. In het verhaal van de Emmausgangers wordt verteld hoe hij dat deed: Lopende van Jeruzalem naar Emmaus luistert de Heer naar de teleurstellingen van de twee leerlingen. Als hij tenslotte zelf het woord neemt, spreekt hij over hun traagheid van hart: zien zij niet wat in de Schrift op hem betrekking heeft? Als deze leerlingen hun ervaringen met de Verrezen Heer aan de elf in Jeruzalem vertellen, staat Jezus plotseling in hun midden, en schenkt hun zijn vrede. Aan de door vrees bevangen leerlingen, verklaart Jezus de zin, de betekenis van de Schriften.

 

Hij legt hen uit wat in de Schriften op hem betrekking heeft en welke profetieën nu in hem tot vervulling zijn gekomen. De leerlingen komen langzaam tot het inzicht dat de Messias ‘moest’ lijden om zó zijn glorie binnen te gaan. Zijn ‘moeten’ was het moeten van de liefde. Bijbels gezien is de verrijzenis steeds verbonden met het kruis. Jezus is opgewekt als gekruisigde, en blijft herkenbaar aan zijn wondetekenen. Leven, dood en verrijzenis horen bij elkaar. Dat is het Paasgeheim.

Wij gaan de weg van de Emmausgangers: we leven met veel teleurstellingen en vragen. Alleen als ons trage hart zich opent door het woord van Jezus - die de Schrift vervult - kan er weer hoop en geloof komen dat de Heer is opgestaan. Hij leeft en Hij laat ons in zijn nieuwe leven delen. Moge wij steeds opnieuw in geloof ervaren: ‘Het is de Heer’ die ons tot leven wekt!

Zr. Margareth c.r.s.s.

 
*****

‘Ik geloof in de verrijzenis van het lichaam’

Iedere week zeggen of zingen we in de geloofsbelijdenis: ‘Ik geloof in de verrijzenis van het lichaam’. Wie daar even over nadenkt, kan zich afvragen: ‘De verrijzenis van het lichaam? Kan dat wel? Doden staan toch niet op uit het graf? Is dat niet een erg naïeve voorstelling van zaken?’ We willen wel geloven dat de ziel van de mens onsterfelijk is, dat ons leven bij het sterven niet zomaar eindigt, maar geloven in de verrijzenis van het lichaam … dat gaat wel wat ver. Dat is niet alleen een moeilijk geloofspunt in onze tijd, ook de apostel Paulus ondervond in zijn tijd veel weerstand tegen dit geloof. Daarom schrijft hij erover in de brief aan de christenen van Korinte (I Kor.15).

De christelijke gemeente in Korinte bestond vooral uit Grieken. In het Griekse denken wordt een strikt onderscheid gemaakt tussen lichaam en ziel. De ziel is onsterfelijk, het lichaam vergaat. De verrijzenis van het lichaam was daarom ondenkbaar voor de Korintiers. De apostel Paulus, opgegroeid in een joodse cultuur en doordrenkt met het bijbelse denken, heeft een andere mensvisie: het lichaam duidt op de hele persoon. Een mens is ziel én lichaam, een belichaamde ziel of een bezield lichaam. Een onlichamelijk bestaan ná de dood kan Paulus zich niet voorstellen. De verrijzenis van de mens, zijn nieuwe leven na de dood in Gods volheid, betekent dus één of andere vorm van ‘lichamelijkheid’.

Nu is het de vraag hoe dat opstandingslichaam kan worden gedacht. Paulus probeert dat aan zijn lezers uit te leggen met een voorbeeld uit de dagelijkse werkelijkheid. Hij gebruikt het beeld van de graankorrel en de aar. De graankorrel moet worden gezaaid en sterven voordat het een nieuwe vorm kan ontwikkelen, de aar. Het voorbeeld is heel goed gekozen want het laat zien dat in de verrijzenis continuïteit en discontinuïteit een rol spelen. Zoals de aar niet wezenlijk verschillend is van de graankorrel, maar wel een ander gedaante heeft, zo is de verrezen mens dezelfde als de aardse mens, maar wel in een heel andere gestalte. De mens verrijst niet met hetzelfde sterfelijke, stoffelijke lichaam dat hij had op aarde. Er bestaat zoiets als een ‘geestelijk’, ‘verheerlijkt’ lichaam, zegt Paulus. Wij kunnen ons dat niet voorstellen, want het is onttrokken aan de beperkingen van tijd en ruimte. Het behoort tot een andere werkelijkheidsdimensie. Het verheerlijkte lichaam, het opstandingslichaam, is een nieuwe bestaanswijze, een participatie aan de verheerlijkte Christus.

In de evangelieverhalen lezen we dat de Verrezen Heer verschijnt aan zijn leerlingen, aan Thomas, aan de Emmausgangers. Hij verschijnt aan hen als degene die ze tijdens hun aardse leven hebben gekend, maar toch verschijnt Hij in een andere vorm. Aanvankelijk herkennen zij Hem niet, maar dan gaan hun ogen open. Hij treedt bij hen binnen, ook al zijn de deuren gesloten. Hij komt op een nieuwe manier vanuit Gods wereld hun werkelijkheid binnen.

 

 

.

De verrijzenis van het lichaam is dus niet de reanimatie van een lijk, en het is ook geen terugkeer in dit aardse leven. Veel schilderijen over de verrijzenis van Christus wekken de indruk dat Hij gewoon uit het graf is opgestaan als een dode die weer levend wordt. Maar bij verrijzenis gaat het om een transformatie, een radicale omvorming. Er is een groot verschil tussen het ‘aardse’ en het ‘verheerlijkte’ lichaam. Ze liggen niet zomaar in elkaars verlengde. Met het ‘verheerlijkte’ lichaam ontstijgen we de binnenwereldse werkelijkheid, en worden we opgenomen in de werkelijkheid van God. De verrijzenis is de voltooiing van het menselijk bestaan. God brengt de totale menselijke persoon tot zijn bestemming. Die voltooiing ontvangen wij als een geschenk van God.

Het is goed om op te merken dat in het christelijk geloof een positieve waardering is voor het lichaam. De lichamelijkheid valt niet buiten het heil, maar is juist bestemd tot het heil. God houdt zich nergens en nooit alleen maar met zielen bezig. Altijd en overal met mensen. Deze mensen heeft Hij geschapen in een onlosmakelijke eenheid van ziel en lichaam. Het lichaam is niet als een oude jas die een mens bij zijn sterven uittrekt en achterlaat. Integendeel: het lichaam, zo uniek voor iedere mens, deelt in het eeuwig leven.

Het geloof in de verrijzenis van het lichaam kunnen we ook verbinden met het geloof in de Menswording van God. ‘Het Woord is vlees geworden’, zegt Johannes in de proloog van zijn evangelie. Zou God het lichaam van een mens hebben aangenomen, als dat lichaam niet bestemd zou zijn voor het heil?

De hoop van het christelijk geloof is dat de mens in zijn concreetheid, in heel zijn bestaan, tot in zijn lichamelijke dimensie, bestemd is voor het heil en door God zal worden omgevormd. Daarom belijden we iedere week: ‘Ik geloof in de verrijzenis van het lichaam’.

Zr. Mirjam c.r.s.s.

 

.
     

Kerkblad nr. 175      22 februari 2009

 ‘Beproefd zoals wij’...

De Veertigdagentijd is er voor ons als de Exodus, de uittocht, naar Pasen toe. Christus zelf heeft naar zíjn Pasen toegeleefd. Op de eerste zondag van de Veertigdagentijd verhaalt het evangelie ons over de bekoringen van Jezus in de woestijn. Hij werd door de Geest de woestijn ingedreven nadat hij gedoopt was en hij vanuit de hemel bevestigd was met de woorden: ‘Jij bent mijn geliefde Zoon’. In de woestijn werd hij beproefd door de satan. Jezus worstelde met krachten die hem van zijn eigenlijke zending wilden afhouden. Hij vocht tegen de verleiding om alles in het leven zélf in handen te willen hebben, tegen de verlokking van macht en rijkdom en tegen de bekoring om als een god over alles te heersen. In de woestijn heeft Jezus gevast en gebeden, en hij heeft de kracht gevonden om door alle beproevingen heen trouw te blijven aan wat hij in zijn doopvisioen als zijn roeping heeft ervaren, namelijk Zoon van God te zijn.

 

 

‘Zoon van God’ betekent voor hem: niét naar zichzelf toerekenen, maar bedacht zijn op wat het woord van God van hem vraagt; niét uit zijn op eigen macht, maar zichzelf in dienst stellen van het koninkrijk van God; in tijden van nood geen wonderen verwachten van God, maar zelf handelen en genezend nabij zijn aan mensen. Als wij dat doen, mogen we erop vertrouwen dat God op zijn wijze aanwezig zal zijn.

Voor ieder van ons kan het een bemoediging zijn dat Jezus op allerlei manieren op de proef gesteld werd, ‘precies zoals wij’ (Hebr. 4,15), maar door de kracht van de Geest overeind bleef. Moge wij in Zijn Geest op weg gaan naar Pasen.

zr. Margareth c.r.s.s
 
*****

 ‘Keer tot Mij terug …’

Op Aswoensdag stappen we de drempel over en komen in de ruimte van de Veertigdagentijd. Het is een periode, een afgebakende tijd, die mij altijd aan een ruimte doet denken. Van de ene op de andere dag ziet het dagelijkse leven er anders uit. Het krijgt letterlijk een andere kleur. De liturgische kleur wordt paars, er staan geen bloemen meer voor het altaar, de gezangen in de liturgie krijgen een andere toon, het alleluia klinkt niet meer.

Veertigdagentijd. Vroeger noemden we het ‘de vastentijd’, in protestantse kring spreekt men van ‘de lijdenstijd’. Het is een tijd van voorbereiding op Pasen. Een groot feest vraagt voorbereiding, daar val je niet zo maar in. Al in de eerste eeuwen van het christelijke geloof heeft men een voorbereidingsperiode van veertig dagen vastgesteld. Wie de dagen telt van Aswoensdag tot en met Stille Zaterdag, en de zondagen aftrekt (de zondag is de dag des Heren, en dat kan geen vastendag zijn!) komt uit op veertig dagen. Het gaat echter niet om het rekenkundig getal, maar om de symbolische betekenis van ‘veertig’. Veertig is een geladen getal. Het komt in de bijbel op veel plaatsen voor. Het volk Israël maakte, op weg naar het Beloofde Land, een tocht van veertig jaar door de woestijn. Mozes vastte veertig dagen en nachten op de berg Sinaï voordat hij de wet van JHWH ontving. De profeet Elia liep veertig dagen en nachten tot hij de berg van God, de Horeb, bereikte. En niet te vergeten: Jezus verbleef veertig dagen in de woestijn, terwijl hij door de satan op de proef werd gesteld. Na die periode was hij in staat om de Blijde Boodschap van Gods komende Rijk te verkondigen.Veertig dagen staan symbool voor een tijd van beproeving, uitzuivering, voorbereiding.

Op Aswoensdag horen we in de eerste lezing van de eucharistieviering de profeet Joel: ‘Keer tot Mij terug, van ganser harte, met vasten, met geween en met rouwklacht. Scheurt uw hart en niet uw kleren, keert terug tot de Heer uw God’. Keer terug, keer om, bekeer je. Dat is de kern van de Veertigdagentijd: een tijd van bekering, een tijd om je om te keren en terug te gaan naar de Heer onze God. Leven wij dan zo goddeloos? Zijn wij God dan helemaal vergeten? Nee, dat niet. Maar er is veel wat ons afleidt, wat onze aandacht volledig in beslag neemt. Wij leven in een veelheid van tijdelijke dingen en we gaan graag op in de dingen buiten onszelf. Daarin schuilt het gevaar dat de mens voorbij loopt aan zichzelf.

De oproep van de profeet Joel om terug te keren tot de Heer ligt in de lijn van Augustinus die het gelovige volk vaak voorhoudt om terug te keren naar zijn hart:

 

 

‘Keer terug naar je hart. Waarom ga je van jezelf weg en ga je eenzame wegen? Door overal rond te zwerven verdwaal je. Keer terug. Waarheen? Naar de Heer. Maar het is nog te vroeg: keer eerst terug naar je hart. Daarbuiten dool je rond vervreemd van jezelf. Je kent jezelf niet eens en je zoekt Hem door wie je gemaakt bent! Keer terug naar je hart, want daar bevindt zich het beeld van God. Christus woont in de innerlijke mens en in de innerlijke mens word je hernieuwd tot het beeld van God. Herken in het beeld van God de schepper ervan.’

Volgens Augustinus keert de mens terug naar zijn hart en vandaar keert hij terug naar God. Terug keren naar je hart betekent dat je weer gaat beseffen dat je geschapen bent naar het beeld van God. Dat God ons geschapen heeft naar Hem toe en dat ons diepste verlangen op Hem gericht is. Inkeer is daarom verbonden met zelfkennis. Zelf kennis is: weten wie je ten diepste bent: een door God geschapen en beminde mens. Deze inkeer tot het hart is geen narcisme of egocentrisme. Het doel van inkeer is juist om naar buiten te kunnen treden, boven het eigen ik uit te stijgen en zich te openen voor God en de naasten. Wie door inkeer of innerlijkheid besef krijgt van de grote liefde van God, verruimt zijn hart. De mens die geraakt is door de liefde van God, kan niet anders dan zijn naasten beminnen.

We kunnen de Veertigdagentijd beleven als een uitnodiging om terug te keren tot de kern van ons leven, de Bron uit wie wij het leven ontvangen. Dat vraagt dat wij ons verzamelen, ons los maken uit de verstrooiing van alledag om oog te krijgen voor het wezenlijke. Om vanuit de veelheid tot de Ene te komen. De sobere, ingetogen Veertigdagentijd kan ons daarbij helpen.Laten wij zoeken naar Hem, in het vertrouwen dat Hij ons reeds gevonden heeft.

Zr.Mirjam c.r.s.s.

 

.

Kerkblad nr. 174      21 december 2008

De blijde boodschap van de engel aan de herders was voor héél het volk bestemd: “Heden is u een Redder geboren, Christus de Heer”. Daarmee wordt gezegd dat Hij geboren is en geleefd heeft tot bevrijding van álle mensen, voor heel het volk. Het kind in de kribbe is voor u, zegt de engel, het téken van de verlossing. Het teken van dit kleine weerloze kind als teken van Gods onverbiddelijke solidariteit met alles wat klein en weerloos is. Hij zal onze Redder zijn en Gods kracht zal nergens anders te vinden zijn dan in Hem. In het kind in de kribbe heeft God laten zien wie Hij is en hoe Hij bij mensen wil zijn. In Jezus heeft God alles wat menselijk is aangenomen. Hij heeft de geboorte en de dood aangenomen, de blijdschap en het leed, het licht en de duisternis.

 

Want daarin ligt juist het geheim van onze verlossing: God heeft in Jezus geen ideaal, volmaakt mens-zijn aangenomen, maar onze menselijkheid met haar sterke en zwakke kanten, met haar grenzeloze diepten en bedreigingen, met haar vergankelijkheid en sterfelijkheid. Hij was bevrijdend omdat Hij één van allen was, één van de velen. Geboren als ieder van ons, onder de doem van deze wereld, heeft Hij als één van ons die doem doorbroken, door niet te berusten in wat mensonwaardig is, en door zonder bedenkingen beschikbaar te zijn voor de bevrijding van anderen. Het evangelie zegt over Hem, dat Hij, zo doende mens is geworden, een gerechte, een Zoon van God. Wat Hij volbracht heeft, kun jij volbrengen: dat is de strekking van zijn levensverhaal. Dat is de oproep aan ons van het kind in de kribbe. Een zalig kerstfeest.

   
Zr. Margareth c.r.s.s.
Jozef, een rechtvaardige    
     

Hij staat er altijd wat verloren bij. Alsof hij er eigenlijk niet bij hoort, en niet meer is dan een verbaasde toeschouwer. Op alle kersttaferelen gaat de aandacht gaat uit naar Maria en het kind, terwijl Jozef genoegen moet nemen met een bescheiden plaats aan de rand van het verhaal. Vaak wordt Jozef dan ook nog afgebeeld als een oude, sullige man, die pap aan het koken is, of zijn sokken staat te wassen in een tobbe. Het moet in ieder geval duidelijk worden dat hij niet de vader kan zijn van de pasgeborene en dat hij slechts een bijrol vervult in het kerstverhaal.

Ons beeld van de geboorte van Jezus wordt sterk bepaald door het evangelie van Lucas, dat wij lezen in de nachtmis van Kerstmis: een verhaal over stal, kribbe, schapen en herders. Een romantisch verhaal, althans in onze verbeelding. Jozef speelt daarin een zeer minimale rol.

Matteus heeft óók een geboorteverhaal geschreven. Dat wordt gelezen in de liturgie enkele dagen vóór Kerstmis, maar dat zullen de meeste mensen niet horen. In het verhaal van Matteus heeft Jozef een sterke rol. Je kunt zelfs zeggen dat het geboorteverhaal verteld wordt vanuit het perspectief van Jozef. Jozef krijgt verschillende keren een droom waarin een engel van de Heer aan hem verschijnt en zegt wat hij doen moet. “Jozef, zoon van David, wees niet bang je vrouw Maria bij je te nemen, want het kind dat ze draagt, is verwekt door de heilige Geest” (Mt.1,20). “Sta op en vlucht met het kind en zijn moeder naar Egypte” (Mt.2,13). “Sta op, ga met het kind en zijn moeder naar Israël. Want zij die het kind om het leven wilden brengen, zijn gestorven” (Mt.2,20).

Jozef is een dromer. Dromen zijn in de bijbelse verhalen altijd openbaringen van God. Dromen zijn veelzeggend. Ze maken duidelijk welke weg God met een mens wil gaan. Ook Jozef weet na de droom wat hem te doen staat. Hij laat zich invoegen in het plan van God met mensen. Hij doet wat de droom hem zegt, hij luistert naar de stem van God in zijn leven.

Matteus heeft hem niet zomaar de naam Jozef gegeven. Daar heeft hij zorgvuldig over nagedacht. Door de naam Jozef zal iedere lezer, die enigszins vertrouwd is met de H. Schrift, meteen denken aan de aartsvader Jozef, waar over geschreven wordt in het boek Genesis (37-50).

 

Jozef was één van de twaalf zonen van Jacob, en het meest geliefd door zijn vader. Jozef had dromen die hij vertelde aan zijn broers, maar deze dromen wekten hun woede, en zij gooiden hem in een put om zich van hem te ontdoen. Later verkochten zij hem aan kooplieden die hem meenamen naar Egypte. In Egypte legde hij met zoveel wijsheid dromen uit, dat hij werd aangesteld aan het hof van de farao en het uiteindelijk bracht tot onderkoning van Egypte. Hij toonde zich een trouwe en toegewijde bestuurder. Als in Israël hongersnood uitbreekt, en de zonen van Jacob in Egypte om graan komen vragen, verzoent Jozef zich met zijn broers en hij redt hen van de hongersnood. In de joodse traditie wordt Jozef beschouwd als een voorafbeelding van de Messias: iemand die door zijn broeders werd afgewezen, maar eindigt als onderkoning, die met wijsheid en mildheid het volk regeert. Let wel: onderkoning, want alleen aan God komt het koningschap toe!

Matteus heeft Jozef, de vader van Jezus, in deze lijn willen plaatsen. Jozef roept de herinnering op aan de geliefde stamvader van Israël. Een betere vader had Jezus zich niet kunnen wensen.

Maar er is nog een klein detail in het verhaal dat ons iets zegt over Jozef: in Mt.1,19 staat dat Jozef ‘een rechtvaardige’ was. Een ‘rechtvaardige’ is meer dan alleen maar een goede man. In het jodendom is het een geladen term. Het is iemand die leeft naar het Koninkrijk Gods, iemand die ervoor zorgt dat de wereld niet uit Gods hand valt. Er gaat een verhaal dat omwille van 24 rechtvaardigen de wereld nog niet is vergaan, maar wij weten niet wie de 24 recht-vaardigen zijn. Ze staan midden onder ons, zonder dat wij daar weet van hebben. Ook Jozef is zo’n rechtvaardige: onopvallend maar onmisbaar.

Jozef erkent dit door God gegeven kind als de zijne door het de naam te geven die het dragen moet: Jezus. In alle bescheidenheid en wijsheid doet Jozef wat hij moet doen. Hij wordt vader van Jezus, de Zoon van God en de zoon van mensen. Hij wordt de behoeder, de bewaarder van Gods leven temidden van mensen. En dat is niet de minste taak!

Zr.Mirjam c.r.s.s.

Index   Terug naar de Index   Index